Van de rector

Home

U kunt zich abonneren op het bulletin door een e-mail te sturen naar het adres: [email protected]

Vermeld daarbij aub uw naam en achternaam. Bedankt!

Bulletin 373 Paaszondag – 12 april 2026
Christus is Opgestaan! Hij is waarlijk Opgestaan!

Mijn dierbare vrienden,

Pasen is niet gewoon een feest zoals er zoveel zijn. Het is het Feest der Feesten, de Overwinning van het even op de dood, de overwinning van het licht op de duisternis, en de openbaring dat niets – zelfs de dood zelf niet – ons kan scheiden van de liefde van God.

Alles wat we tijdens de Grote Vasten hebben gedaan leidt naar dit moment. En toch is datgene wat we vandaag vieren niet alleen maar een gebeurtenis in het verleden, maar een realiteit die nu aanwezig is.

De tekst voor de Evangelielezing is tamelijk verrassend, omdat deze niet expliciet de Verrijzenis noemt. In plaats daarvan horen we de proloog van het Johannesevangelie, dat in veel opzichten de beste samenvatting is van het gehele Evangelie dat we bezitten (Johannes 1: 1 – 17):

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen.
Er trad een mens op, van God gezonden, wiens naam was Johannes; deze kwam als getuige om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloven zouden. Hij was het licht niet, maar was om te getuigen van het licht. Het waarachtige licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem geworden, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.
Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid. Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zei: Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.

In de Orthodoxe icoon van de Verrijzenis – de Anastasis – is Christus niet de enige die uit het graf oprijst, maar wordt Hij getoond, terwijl Hij afdaalt in de Hades en Adam en Eva bij de hand neemt en opricht.

Dit beeld openbaart iets essentieels:

  • De Verrijzenis is geen ontsnapping
  • Het is een redding
  • Het is geen privézaak
  • Het is universeel
  • Het gaat eigenlijk niet om daar en toen: het gaat om Hier en Nu.

Christus komt tot in de diepste plaatsen van het menselijk bestaan – zelfs de dood zelf – en vult deze met Zijn aanwezigheid.

Zoals de heilige Johannes Chrysostomos in de Paashomilie verkondigt: “Christus is opgestaan en geen dode blijft achter in het graf.”

Als je door de straten van Amsterdam wandelt, lijkt er erg weinig te zijn veranderd. In de wereld blijft alles bij het oude. Rijken komen op en vallen. Politici komen en gaan. Mensen worstelen, lijden en sterven nog steeds.

En toch is alles veranderd.

De Verrijzenis is geen schouwspel dat aan de wereld wordt opgelegd. Deze wordt stil gegeven, als een zaadje geplant in het hart van de werkelijkheid zelf.

Pasen is niet alleen iets wat we vieren. Het is iets waartoe we worden uitgenodigd om op in te gaan. Het is de ultieme fase van het proces dat in de doop begonnen is, toen wij de identiteit van Christus hebben aangenomen.

  • Waar angst is – brengt Christus leven
  • Waar wanhoop is – brengt Christus licht
  • Waar dood is (in enigerlei vorm) – brengt Christus de Verrijzenis

De vraag is niet of we denken dat Christus verrezen is of niet.
De vraag is of wij bereid zijn met Hem te verrijzen.

De vreugde van Pasen is geen opwinding of lawaai (hoewel beide erbij kunnen horen). Het is iets diepers:

  • een stille zekerheid dat het leven sterker is dan de dood
  • een standvastig erkennen dat niets wat echt is ooit verloren kan gaan
  • een aanwezigheid die blijft, zelfs als de omstandigheden niet veranderen.

Dit is de vreugde die de Kerk ons vandaag aanbiedt.

Een simpele vraag die u zich de komende dagen zou kunnen stellen is:

Waar word ik in mijn leven uitgenodigd om me van de dood naar het leven te bewegen?
Niet dramatisch. Niet perfect.

Eenvoudig … eerlijk …

Christus is opgestaan – en het leven is al opnieuw begonnen, zelfs waar we dachten dat het afgelopen was.

Een Paasgebed

Opgestane Christus,
Gij zijt de plaats binnengegaan waar we het meest bang voor waren
en hebt deze vervuld van uw aanwezigheid.

Waar wij het einde zien,
blijft Gij bij ons.

Waar wij ons verloren voelen,
daar zijt Gij reeds,
en doet duisternis stil in licht verkeren.

Kom nu bij ons,
niet als een herinnering,
maar als het leven zelf.

Blijf bij ons op de plaatsen die wij vermijden,
de plaatsen die wij verbergen,
de plaatsen waarvan we dachten dat er geen hoop voor was.

En laten we daar – juist daar –
U erkennen.

Geef ons de moed
niet alleen te zeggen dat Gij verrezen zijt,
maar te leven als degenen
in wie het leven al opnieuw begonnen is.

Want Gij zijt het leven dat niet kan worden weggenomen,
nu en altijd,
en tot in de eeuwen der eeuwen.
Amen.

Een Paasgedicht

Niet in het lawaai,
ook al luiden de klokken.

Niet in het vuur,
ook al branden de kaarsen.

Zelfs niet in het lege graf,
ook al is de steen afgewenteld.

Maar hier –

In het stil veranderen
van angst in levensadem,

In de zachte terugkeer
van hoop waar niets moest groeien,

in het moment
dat je niet wegrent
van wat moeilijk is –

daar.

Het leven,
onaangekondigd,
ongeslagen,

begint opnieuw.

Met liefde in de Verrezen Christus,
Meletios, archimandriet.

Mijn dierbare vrienden,

Gelukkig Nieuwjaar!

De Evangelielezing van deze zondag is een van de meest ongewone van het jaar: een geslachtsregister, gevolgd door een rustig, bijna verhuld verhaal van gehoorzaamheid. Op het eerste gezicht lijkt het misschien wel een vreemde keuze – een namenlijst en een droom. Toch openbaren deze samen iets wezenlijks over hoe God de menselijke geschiedenis binnenkomt.

Hier volgt de tekst (Matteüs 1: 1 – 25):

Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham.
Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders. Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning.

David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asa. Asa verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia, Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap.

Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel, Zerubbabel verwekte Abihud, Abihud verwekte  Eljakim, Eljakim verwekte Azor, Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob, Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt.

Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten.

De geboorte van Jezus Christus geschiedde aldus. Terwijl zijn moeder Maria ondertrouwd was met Jozef, bleek zij, voordat zij gingen samenwonen, zwanger te zijn uit de heilige Geest. Daar nu Jozef, haar man, rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen, was hij van zins in stilte van haar te scheiden. Toen die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem in de droom en zei: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven. Want Hij is het, die zijn volk zal redden van hun zonden.

Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heer door de profeet gesproken heeft, toen hij zei:
Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren,
En men zal Hem de naam Immanuël geven, hetgeen betekent: God met ons.

Toen Jozef uit zijn slaap ontwaakt was, deed hij, zoals de engel des Heren hem bevolen had en hij nam zijn vrouw tot zich. En hij had geen gemeenschap met haar, voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus.

Houdt u in gedachten dat de schrijver van het Evangelie van Matteüs Joods was en specifiek voor een Joods publiek schreef. Zijn Evangelie begint hij niet met wonderen en leringen, maar met namen. Geslachtsregisters zoals deze waren erg belangrijk om de mensen een gevoel van identiteit te geven, vooral als dat gerelateerd was aan de Heilige Schrift. Hoewel nu een vergeten traditie (wie weet bijvoorbeeld tegenwoordig nog veel over zijn eigen overgrootouders?) hielpen geslachtsregisters om een geschiedenis in haar context te plaatsen en gaven aan bijzondere perspectieven een gevoel van legitimiteit. Vandaar dat generatie op generatie zorgvuldig wordt herinnerd – heiligen en zondaars, koningen en buitenstaanders, trouw en mislukking met elkaar verweven. De boodschap is van stond af aan helder: God wacht niet op een volmaakte menselijke geschiedenis vóór Hij daarin binnentreedt. Christus wordt geboren binnen de complexiteit van reële mensenlevens.

Opmerkelijk is wie erbij zijn inbegrepen. Er verschijnen vrouwen in dit geslachtsregister – Tamar, Rahab, Ruth, “de vrouw van Uria” – van wie ieder te maken heeft met schande, marginalisering, of buitenlandse afkomst. Het lijkt of Matteüs erop gespitst is ons te laten zien dat de genade geen rechte lijnen volgt. Gods getrouwheid beweegt zich door gebroken omstandigheden heen, door onverwachte relaties en menselijke kwetsbaarheid.

Dan verschuift, kalm, het brandpunt naar Jozef.

In het Evangelie zegt Jozef heel weinig. Hij houdt geen toespraken of verkondigingen. Toch beschrijft Matteüs hem als “een rechtschapen man”. Zijn rechtschapenheid is niet luidruchtig of legalistisch. Deze is zacht, barmhartig, en staat ervoor open zich opnieuw te laten leiden. Geconfronteerd met wat hij niet kan begrijpen, kiest Jozef ervoor niet te contoleren, maar te vertrouwen.

Wees niet bevreesd, zegt de engel. En Jozef gehoorzaamt.

Dit is de eerste keer dat u in dit Evangelie deze zin zult horen. Deze wordt verder bij Matteüs negen keer gebruikt, en in de vier Evangeliën 30 keer. Frappant – en zeer Johannitisch en evenzeer Synoptisch – is dat deze uitspraken zich concentreren rond momenten van openbaring, geroepen worden, of goddelijke nabijheid, niet alleen van gevaar.

In het verhaal van Matteüs komt de verlossing de wereld binnen niet door dwang of zekerheid, maar door te luisteren. De grootheid van Jozef ligt in zijn bereidheid om zijn eigen plannen te laten varen, zodat Gods diepere bedoeling zich kan ontvouwen.

De heilige Johannes Chrysostomos schrijft dat het Evangelie van Matteüs met het geslachtsregister begint “zodat wij kunnen leren dat Christus niet terugschrok voor onze schaamte, maar die Zelf op zich nam om die te genezen.”

De heilige Gregorius de Theoloog herinnert ons eraan: “Wat niet wordt aangenomen, wordt niet genezen.” Christus neemt niet alleen de menselijke natuur aan, maar de menselijke geschiedenis – met al haar wonden en tegenstrijdigheden.

Dit Evangelie nodigt ons uit onze eigen verhalen opnieuw te beschouwen.

Velen van ons dragen ingewikkelde familiegeschiedenissen met zich mee, onbeantwoorde vragen, en relaties die zich niet in nette patronen laten onderbrengen. Matteüs herinnert ons eraan dat geen daarvan ons uitsluit van Gods werk. Genade wist ons verleden niet uit, deze treedt daarin binnen.

Ook Jozef spreekt tot ons in onze momenten van onzekerheid. Er zijn tijden dat het geloof betekent dat je niet alles begrijpt, maar ervoor kiest open te blijven staan – om vriendelijk te luisteren, te vertrouwen en te handelen, zelfs als de weg vooruit onduidelijk is.

Gods werk begint vaak rustig, op de achtergrond, via mensen die er eenvoudig voor kiezen om ja te zeggen.

O God die onze geschiedenis binnen is gekomen
door namen, relaties, en rustige gehoorzaamheid,
leer ons Uw werk te vertrouwen in ons eigen leven.
Als we het niet begrijpen,
geef ons de moed te luisteren.
Als angst opkomt,
schenk ons de genade trouw te blijven.
Want Gij zijt Immanuël – God met ons –
nu en altijd. Amen.

Een gedicht

Geschreven namen,
herinnerde levens,
niets verloren.
Een droom gekregen,
een pad geaccepteerd,
liefde tot vlees gemaakt.
God komt rustig –
en blijft.

Met liefde in Christus,
Meletios, archimandriet.

Mijn dierbare vrienden,
In het Evangelie van vandaag worden we geconfronteerd met een van de diepste vormen van menselijke vervreemding. Het gaat over een man die alles kwijt is geraakt wat iemand menselijk maakt – huis, naam, waardigheid, gemeenschap. Hij leeft tussen de graven, geketend en verstoten, een symbool van iedere ziel die verteerd wordt door angst en gespletenheid.
Het heilig Evangelie volgens Lucas 8: 26 – 39:
En zij voeren naar het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. Toen Hij aan land gegaan was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet, die door boze geesten bezeten was, en sinds lang had hij geen mantel meer aan en woonde niet in een huis, maar in de graven. Toen hij nu Jezus zag, stiet hij een kreet uit en hij viel aan zijn voeten en sprak met luider stem: Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik smeek U, dat Gij mij niet pijnigt. Want Hij gaf de onreine geest bevel van de man uit te varen. Want menigmaal had de geest hem met geweld meegesleurd, en om hem te bewaken werd hij met ketenen en voetboeien geboeid, maar hij brak de boeien stuk en werd door de geest naar eenzame streken gedreven.
En Jezus vroeg hem: Wat is uw naam? Hij zei: Legioen; want vele geesten waren in hem gevaren. En zij smeekten Hem, dat Hij hun niet gelasten zou in de afgrond te varen. Nu werd op de berg een talrijke kudde zwijnen gehoed; en zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toestaan daarin te varen. En Hij stond het hun toe. En de geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk.
Toen de hoeders zagen wat er gebeurd was, namen zij de vlucht en berichtten het in de stad en op het land. En de mensen liepen uit om te zien wat gebeurd was, en zij kwamen bij Jezus en vonden de mens, van wie de boze geesten uitgevaren waren, aan de voeten van Jezus zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, en zij werden bevreesd. En zij, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene genezen was. En de gehele bevolking van de streek der Gerasenen vroeg Hem, of Hij van hen wilde weggaan, want zij waren door grote vrees bevangen. En Hij ging in het schip en keerde terug.
En de man, van wie de boze geesten uitgevaren waren, verzocht Hem bij Hem te mogen blijven. Maar Hij liet hem heengaan en zei: Keer terug naar uw huis en verhaal al wat God u gedaan heeft. En hij ging de gehele stad door verkondigen al wat Jezus hem gedaan had.
Het woord waarmee de genezing van de man wordt aangegeven is σωφρονεω (sophroneo), dat “goed bij zijn verstand zijn” betekent. In het Nieuwe Testament heeft dit woord een veel diepere zin dan gezond van geest zijn. Het betekent opnieuw gecentreerd zijn, hersteld zijn tot een harmonie tussen verstand, hart en geest. De genezen man is niet alleen maar rustig; hij is héél gemaakt – weer geïntegreerd in zichzelf en in de menselijke kring waaruit hij verbannen was.
Het Evangelie begint met een onopvallende, maar geladen zin. En zij voeren naar het land, dat tegenover Galilea ligt.” Het is meer dan geografie. De westelijke oever van het meer is Joods gebied. De “andere” kant is niet-Joods, vreemd gebied en (in Joodse ogen) onrein. Christus is van vertrouwd naar vreemd gebied getrokken, vanuit het hart van Israël naar heidens land – van land waar je bij hoort naar ballingschap. De storm die Hij zojuist op het meer tot bedaren heeft gebracht wordt de drempel tussen het bekende en het verlatene. Deze reis naar de overkant “tegenover Galilea” is de beweging van de goddelijke liefde zelf: een tocht naar de plaatsen in de schaduw waar niemand anders heen wil, om degene te ontmoeten die alle anderen de rug heeft toegekeerd.
De kwellingen van de bezetene zijn opvallend modern. Hij is naakt, gewelddadig en bang; maar zijn diepste wond zijn niet de demonen, maar de eenzaamheid die zij veroorzaken. Als Christus naderbij komt, valt de man voor Hem neer – nog niet om te aanbidden, maar in een kreet om hulp die zelfs de demonen niet kunnen onderdrukken. Zijn bevrijding begint niet met macht, maar met aanwezigheid: Christus staat eenvoudig bij hem waar niemand anders wil staan.
De mensen in de stad daarentegen kunnen niet verdragen wat er gebeurd is. De bevrij-ding van de man legt hun eigen angst bloot – angst voor wanorde, voor genade die oncontroleerbaar is, voor verandering. Zij smeken Christus weg te gaan. Het kwaad is niet alleen de razernij van de bezetene, het is ook de kilheid van hen die in aanzien zijn.
Dit verhaal is de spiegel van het Evangelie voor alle tijden. De demonen van deze tijd dragen subtielere namen – verslaving, wanhoop, woede, zelfhaat – maar zij leiden tot hetzelfde isolement. Christus drijft deze niet uit door donderend optreden; Hij maakt het mogelijk dat de persoon weer relaties aangaat. Hij geeft de taal terug, de kleding, de gemeenschap en het zelfbewustzijn: de vier tekenen van een herstelde menselijkheid.
Als de man “aan de voeten van Jezus zit, gekleed en goed bij zijn verstand,” vangen we een glimp op van het ware beeld van verlossing. Hij wordt niet langer gedefinieerd door zijn pijn, maar door zijn aanwezigheid met Christus. En als Christus hem naar huis stuurt en zegt: “Verhaal al wat God u gedaan heeft,” is het duidelijk dat het niet de bedoeling is dat de genezenen de wereld ontvluchten, maar dat zij daarin barmhartigheid terugbrengen.
De heilige Cyrillus van Alexandrië:
“De duivel brengt mensen in isolement, maar Christus vergadert de verstrooiden tot eenheid. Om deze reden wordt de genezen man terug naar huis gestuurd, zodat het wonder kan samenbinden wat de duivel verscheurd had.”
De heilige Johannes Chrysostomos:
“De burgers waren benauwder voor het verlies van hun zwijnen dan dat zij zich verheugden over de genezing van hun broeder. Zó kunnen de hartstochten van de hebzucht maken dat wij aan zwijnen de voorkeur geven boven zielen.”
Synaxarion van de 22ste zondag na Pinksteren:
“Het Woord dat de stormwind tot bedaren bracht, kalmeerde ook de storm in de man; de zee gehoorzaamde Hem, en dat deed ook het hart.”
Voor Ons Vandaag
Dit Evangelie roept ons op de demonen tegemoet te treden die in onze tijd tot verdeeldheid leiden – angst voor verschil, de muren tussen de gezonden en de lijdenden, het verlies van mededogen door onze controlesystemen. Iedere parochie, ieder huis, moet een plaats zijn waar de gebrokenen kunnen zitten en weer in vrede bekleed worden. De Kerk van Christus is geen museum van de reinen, het is de haard, in de warmte waarvan uit elkaar geslagen ego’s worden verzameld.
Christus volgen is welbewust lopen naar degenen die tussen de graven wonen – de verslaafden, de verworpenen, de razenden – en daar lang genoeg blijven zodat de liefde kan spreken.

Tussen de graven raasde en rende ik rond,
een stem van binnen, duizend kreten.
Hij kwam en stond daar – zonder zwaard, zonder plan,
Maar voortdurend zonlicht in Zijn ogen.

De ketenen lieten los, de nacht trok zich terug,
ik hoorde het kalme gebod, “Ga naar huis”.
En nu wandelt mijn ziel, ooit in tweeën gescheurd,
gekleed en onbevreesd en héél.

Met liefde in Christus,
Meletios, archimandriet.

Mijn dierbare vrienden,

Het Evangeliegedeelte van deze week is Matteüs 14: 14 – 22:

En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken. Bij het vallen van de avond kwamen de discipelen tot Hem en zeiden: De plaats hier is eenzaam en de tijd is reeds verstreken; zend dan de scharen weg, dan kunnen zij naar de dorpen gaan om spijzen voor zich te kopen. Maar Jezus zei tot hen: Zij behoeven niet weg te gaan, geeft gij hun te eten. Zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niets dan vijf broden en twee vissen. Hij zei: Brengt Mij die hier. En Hij beval de scharen, dat zij in het gras zouden gaan zitten, nam de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit, brak de broden en gaf ze aan zijn discipelen en de discipelen gaven ze aan de scharen. En zij aten allen en werden verzadigd en zij raapten het overschot der brokken op, twaalf manden vol. Zij, die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. En terstond dwong Hij de discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, totdat Hij de scharen zou hebben weggezonden.

Er zit iets onopvallend verbazingwekkends in de manier waarop dit verhaal zich ontvouwt. Jezus begint niet met te leren, te gebieden of te vermanen. Hij ziet alleen de schare en heeft mededogen met hen. Daar begint alles mee: geen strategie, geen geloofsleer, zelfs geen gebed – maar mededogen opgekomen op het moment zelf. Hij ziet hen, en wordt bewogen door hun nood.

Hij zendt hen niet weg.

Maar de discipelen willen dat wel. Zij hebben een heel redelijke suggestie: “Laten ze voedsel gaan kopen. Het is al laat, en ze moeten voor zichzelf zorgen”. Verstandig, praktisch, zelfs bezorgd. Maar Jezus antwoordt: “Zij behoeven niet weg te gaan. Geeft gij hun te eten”.

Dit is het keerpunt – niet alleen in het verhaal, maar misschien wel in het leven van iedere discipel. Dit eist van hen, maar ook van ons, een persoonlijke reactie. Van denken in politieke termen moeten we komen tot denken in geestelijke termen.

We kijken naar wat we hebben. Dat lijkt niet veel te zijn, want als het erom gaat iets weg te geven, hebben we nooit het gevoel dat we genoeg hebben. Nooit.

Toen keken ze wat er was: Vijf broden. Twee vissen. Bij elkaar geschraapte emotie. Een paar rustige woorden. “We hebben hier niets dan…” wordt ons instinctieve refrein.

Maar Christus pakt dit “niets dan” op en laat ons zien dat dit meer dan genoeg is – mits aangeboden.

Hij zegent en breekt wat we aanbieden.

Er is geen wonder totdat het gegeven wordt. Het voedsel vermenigvuldigt zich niet in Jezus’ handen maar in het geven – als de discipelen aannemen wat ze hebben ontvangen en het doorgeven. Het brood vermeerdert zich in de daad van het delen ervan. Dat gaat altijd zo.

En dat is ook hoe mededogen groeit. Niet in het plannen van hoe meer mededogend
te zijn, maar in het zien, dan het aanbieden, dan het geven. Het echte wonder is niet overvloed, maar gemeenschap – dat we deel worden van een goddelijke stroom, van honger naar gevoed worden, van zich terugtrekken naar aanbieden, van angst naar genoeg.

En nadat alles gegeven is, is er nog meer. Wat overblijft zijn geen restjes. Het wordt zorgvuldig verzameld – twaalf manden vol. Wellicht een teken dat niets wat met liefde wordt aangeboden ooit verloren gaat. Zelfs de brokstukken doen ertoe.

Maar het moment van genade eindigt niet met een groots slotakkoord. Het eindigt in beweging. Jezus zendt de discipelen weg. Ga naar de overkant. Blijf hier niet zitten, ook niet met het wonder. Het mededogen waardoor deze schare gevoed werd is hetzelfde mededogen dat nu het water moet oversteken, de storm in moet gaan, en het duister tegemoet moet treden (zoals we zullen zien in het Evangelie van volgende week). Het is niet een enkele gebeurtenis, maar een ritme: van zien, aanbieden, zegenen, geven, verzamelen, gaan.

Dit is het werk van de Kerk – niet alleen het voeden van monden, maar het binnengaan in de stroom van goddelijk mededogen die altijd begint met het aanwezig zijn, en altijd eindigt met bewegen.

En als u het vertrouwde protest voelt opkomen – “Maar ik heb hier niets anders dan …” herinnert u zich dan: zo begint het wonder altijd.

Met liefde in Christus,

Meletios, archimandriet.

Bulletin 326, maandag 19 mei 2025

Mijn dierbare vrienden,

Christus is Opgestaan!

De Evangelielezing voor de vijfde zondag na Pasen: Johannes 4: 5 – 42 luidt als volgt:

Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, dicht bij het veld, dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had; daar was de bron van Jakob. Jezus nu was vermoeid van de tocht en bleef zo bij de bron zitten; het was ongeveer het zesde uur.

Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken. Want zijn discipelen waren naar de stad gegaan om voedsel te kopen. De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen? [Want Joden gaan niet om met Samaritanen.]

Jezus antwoordde en zei tot haar: Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: Geef Mij te drinken, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. Zij zei tot Hem: Heer, Gij hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt Gij dan aan het levende water? Zijt Gij soms meer dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven en zelf eruit gedronken heeft met zijn zonen en zijn kudden?

 Jezus antwoordde en zei tot haar: een ieder, die van dit water drinkt, zal weder dorst krijgen; maar wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven.

De vrouw zei tot Hem: Heer, geef mij dit water, opdat ik geen dorst heb en niet hierheen behoef te gaan om te putten.

Hij zei tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier.

De vrouw antwoordde en zei: Ik heb geen man.

Jezus zei tot haar: Terecht zegt gij: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet; hierin hebt gij de waarheid gesproken.

De vrouw zei tot Hem: Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.

 Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid.

 De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die komt, zal Hij ons alles verkondigen.

Jezus zei tot haar: Ik, die met u spreek, ben het.

En daarop kwamen zijn discipelen en waren verbaasd, dat Hij met een vrouw in gesprek was, en toch zei niemand: Wat zoekt Gij, of: Waarom spreekt Gij met haar?

De vrouw dan liet haar kruik staan, en ging naar de stad en zei tot de mensen: Komt mede en ziet een mens, die gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn? Zij gingen de stad uit en kwamen tot Hem.

Intussen vroegen zijn discipelen Hem, zeggende: Rabbi, eet.

Hij zei echter tot hen: Ik heb een spijs te eten, waarvan gij niet weet.

 De discipelen dan zeiden tot elkander: iemand heeft Hem toch niet te eten gebracht?

Jezus zei tot hen: Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft, en zijn werk te volbrengen. Zegt gij niet: Nog vier maanden, dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten. Reeds ontvangt de maaier loon en verzamelt hij vrucht ten eeuwigen leven, opdat de zaaier zich tegelijk met de maaier verblijde. Want hier is de spreuk waarachtig: De een zaait, de ander maait. Ik heb u uitgezonden om datgene te maaien, wat u geen arbeid heeft gekost; anderen hebben gearbeid en gij hebt de vrucht van hun arbeid geplukt.

 En uit die stad geloofden velen der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb.

Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord,

en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is.

In de Evangeliën zijn er bepaalde momenten die lijken te glinsteren van gelaagde beteke-nis, alsof er sprake is van meer dan één gesprek tegelijk. De ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw bij de put van Jakob is zo’n moment: uiterlijk gewoon, innerlijk buitengewoon. Een Joodse man en een Samaritaanse vrouw. Wat water en een gave van eeuwig leven. Een verzoek om gastvrijheid en een openbaring van goddelijke intimiteit.

Het begint zo eenvoudig. Jezus, vermoeid van de tocht, zit bij de bron. De middagzon staat hoog; het is het uur dat niemand anders te verwachten is. En toch komt zij – deze naamloze vrouw wier leven, zoals dat van zovele anderen, gebukt gaat onder de last van herhaalde teleurstelling. Vijf mannen, en nu nog een. Of we hierin nu een morele mislukking horen of alleen maar een sociale tragedie, we voelen aan dat ook zij moe is.

En dan komt de stem:

“Geef mij te drinken.”

Het is een regel die inslaat. Hij die de wateren gemaakt heeft, die zweefde boven het aangezicht van de diepte, die water in wijn veranderde, heeft nu dorst. Maar hij grijpt er niet naar. Hij handelt niet. Hij vraagt. Hij maakt zichzelf afhankelijk van haar goedheid.

En op dat moment begint de hele structuur van de macht te kantelen.

Dit is niet alleen maar een vermoeide man bij een bron.

En zij is niet alleen maar een vrouw die verkeerde keuzes heeft gemaakt.

Hun gesprek verdiept zich. Wat begint als een praatje over bronnen en water wordt een gedachtewisseling over waarheid en Geest, over verering niet gebonden aan bergen of tempels, maar aan ontwaakte harten. “Het water dat ik geef”, zegt hij, “wordt een bron van binnen, die opwelt tot eeuwig leven.”  Wat is dit water, dat binnen opborrelt? Wat is dit eeuwige leven dat nu, en niet later, begint?

Zij begint het te zien. Niet alles wordt begrepen, maar iets ervan wordt herkend. Zó begint iedere echte geestelijke ontwaking – niet met volledig begrip, maar met een onwankelbaar gevoel gekend te worden.

“Het is waar wat u zegt”, zegt hij, als zij zegt geen man te hebben.

En door haar waarheid te benoemen – niet om te beschamen, maar om te zien – bevrijdt hij haar.

Op dit moment dat zij gezien wordt, breekt er iets open. En de vrouw, die rond het middaguur kwam om het dorp niet onder ogen te komen, wordt plotseling hun boodschapper. “Kom mee en zie een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik ooit gedaan heb!” zegt zij – niet in angst, maar met verbaasde vreugde.

De transformatie is volkomen:

Zij die om water kwam, laat haar kruik staan.

Zij die kwam en zich verborgen hield, wordt plotseling een boodschapper.

Zij die verdord was, vloeit nu over.

En hoe staat het met ons?

Zijn ook wij niet keer op keer tot de bronnen genaderd, die onze diepste dorst niet kunnen lessen? Hebben wij niet geprobeerd door compromissen met onze eenzaamheid om te gaan, onze verlangens door afleiding tot zwijgen te brengen, over liefde te onderhandelen op de voorwaarden die de wereld ons heeft geleerd?

En toch komt Hij en vraagt alleen maar om wat water.

Het is Christus’ nederigheid om ons nodig te hebben.

Het is het mysterie van de genade die wij, door deze aan Hem te geven, zelf ontvangen.

Als Hij ons bij onze bronnen ontmoet – wat die ook mogen zijn – verwijt Hij ons niet dat we dorst hebben. Hij wacht. Hij vraagt. Hij spreekt zó dat de diepe waarheid van wie we zijn naar boven begint te komen, niet met een gevoel van schuld, maar in herkenning.

En dan geeft hij ons, als we dat willen, wat geen emmer kan dragen: het levende water van gekend en geliefd te zijn. De innerlijke bron van Geest en waarheid. De moed om dat te gaan vertellen.

Laten we niet bang zijn Hem daar te ontmoeten.

Laten we toelaten dat Hij dorst heeft – zodat wij geen dorst meer zouden hebben.

Met liefde in Christus,

Meletios, archimandriet.

Mijn dierbare vrienden,
“Christus is Opgestaan! Hij is waarlijk Opgestaan!”
Nu we opnieuw in het licht van het lege graf staan, weerklinkt in ons hart de schreeuw die tweeduizend jaar geleden de wereld heeft geschokt: Christus is Opgestaan! Dit is geen metafoor, en ook geen mooie poëtische uitdrukking – het is de hartslag van ons geloof, de dageraad die de lange nacht van menselijk verdriet doorbreekt. De Verrijzenis van Christus is niet alleen maar een gebeurtenis in de geschiedenis, maar een voortdurende en kosmische werkelijkheid, die steeds aanwezig is en steeds transformerend werkzaam is.
De Evangelieverslagen, ieder met zijn unieke stem, zijn het eens over deze centrale waarheid: het graf was leeg, en Hij die gekruisigd was, leeft nú. Van de tranen van Maria Magdalena tot aan het aarzelende geloof van Thomas, de Evangelieverhalen leiden ons binnen in een zowel teder als transcendent mysterie. Ze bieden geen gemakkelijke antwoorden. In plaats daarvan nodigen ze ons uit Hem die Verrezen is persoonlijk te ontmoeten – zoals de leerlingen onderweg deden, in de hof, achter gesloten deuren, en door het breken van het brood.
De Verrijzenis is niet eenvoudigweg een bewijs van het leven na de dood. Het is het teniet doen van de dood zelf, de liefde die het laatste woord heeft, de openbaring van een Koninkrijk waaraan geen einde komt. Het is, zoals de heilige Marcus de Asceet zegt: “de dood van de dood, en de verrijzenis van heel de mensheid.”
In de Orthodoxe traditie is de Opstanding geen feest zoals andere – het is het Feest der Feesten, de overwinning tot in het hart van alles. Onze Paashymnen zingen van een vreugde die door geen verdriet kan worden uitgewist. Aan het begin van de Paasvigilie worden we uitgenodigd met het licht de duisternis in te gaan. In de Griekse traditie horen we deze woorden van de priester als we het nieuwe licht ontvangen: “Komt, ontvangt het licht van het Licht dat nooit door de nacht wordt overweldigd!” Dit is niet louter symboliek; het is een ontologische waarheid: het Licht is in de wereld gekomen, en de duisternis kan het niet overwinnen.
De Vaders van de Kerk spreken over Christus die in de Hades afdaalt niet als slachtoffer, maar als overwinnaar. Op Opstandingsiconen zien we dat Hij niet alléén verrijst, maar Adam en Eva bij de hand vat en opricht, de poorten van de dood verbrijzelt, de grendels verbreekt en de gevangenen vrij laat. Dit is niet alleen maar een reddingsactie. Het is een nieuwe schepping. Zoals de heilige Gregorius van Nyssa schrijft: “Toen Hij afdaalde in de dood, vulde Hij deze met Zichzelf.”
In de theologie van de Vaders is de Verrijzenis niet slechts een daad tot ons heil – het is de hernieuwing van wat het betekent mens te zijn. Christus neemt onze natuur aan helemaal tot in de dood en verheft deze dan tot onbederfelijkheid. Theosis – de deelneming aan het goddelijk leven – is geen verheven ideaal, maar een reëel geschenk mogelijk geworden door het Kruis en de Opstanding.
De heilige Maximus de Belijder ziet de Verrezen Christus als het centrum van alle dingen – geschiedenis, natuur, het menselijk hart – alle worden samengebracht in goddelijke harmonie. De heilige Serafim van Sarov vertelt ons dat “het echte doel van ons christelijk leven de verwerving is van de Heilige Geest”, en het is in de Opstanding dat de Geest vrij komt om in ons te verblijven en ons tot tempel van de Levende God te maken.
Dit is niet het einde van het verhaal, maar het echte begin ervan. De Opstanding gaat niet eenvoudigweg over het leven hierna. Het gaat over hoe we nu leven – als degenen die niet langer beheerst worden door angst, als degenen die vergeven zoals wij vergeven worden, als degenen die liefhebben, omdat de liefde de dood heeft overwonnen.
Dus, hoe gaan we dit mysterie beleven? Met vreugde die onafhankelijk is van de omstandigheden. Met hoop die wanhoop weerstaat. Met liefde die vijandschap overwint. En met geloof dat weigert het Evangelie te reduceren tot louter moraliteit of nostalgie, maar dat verkondigt: Christus is opgestaan van de doden, overwon de dood door Zijn dood en aan allen in de graven schonk Hij het leven!
Moge dit Paasfeest in ieder van ons een dieper gevoel doen ontwaken voor Zijn aanwezigheid en moge u Zijn vrede ervaren, niet alleen vandaag, maar bij elke stap van de reis die vóór ons ligt.
Met liefde in Christus,
Meletios, archimandriet.

maandag 17 maart 2025

Mijn dierbare vrienden,

Vandaag gaat onze aandacht uit naar een van de meest indrukwekkende ontmoetingen in het Evangelie: de genezing van de verlamde in Marcus 2: 1 – 12. Deze passage openbaart niet alleen de macht van Christus om te genezen, maar, belangrijker nog, Zijn gezag om zonden teniet te doen.

Zonde is een moeilijk begrip; de betekenis ervan omvat een verscheidenheid aan ideeën en is in de loop van de tijd veranderd. Toch zit er altijd een kern in van ‘een gedragscategorie die niet alleen schade doet aan onze relatie met God, maar ook aan onze ware aard’. Jezus kwam niet alleen om zonde te vergeven, maar om – in zekere zin – de categorie van zonde geheel en al teniet te doen.

Het is misschien wel goed het woord ‘zonde’ in de meeste contexten te vervangen door de vraag: ‘Wat is er in mijn leven dat mij van God gescheiden houdt?’ Dan kun je beginnen je te richten niet op de zonde zelf, maar op de relatie waaraan door de zonde afbreuk wordt gedaan.

Ons Evangelieverhaal blijkt over fysieke genezing te gaan. Maar als we dieper kijken, zien we dat de eerste prioriteit van Jezus iets groters is – de genezing van de onsterfelijke natuur van de persoon. Deze passage daagt ons uit na te denken over wat echte genezing betekent en wat we het meest van Christus nodig hebben.

De heilige Johannes Chrysostomos legt uit waarom Jezus vergeeft vóórdat Hij geneest:

“Want net als zij die hun wonden niet voelen geen arts zoeken, zo ook zoeken zij die zich niet van hun zonden bewust zijn geen vergeving. Daarom geneest Christus, alvorens het lichaam te genezen, eerst de ziel, zodat, als eenmaal het grootste verleend is, het kleinste passend kan worden geschonken.” (Homilieën over Matheüs, 29.2)

De prioriteiten van Christus zijn duidelijk. De meest urgente nood is niet altijd zoals wij die zien.

Jezus was teruggekeerd naar Kafarnaüm en het gerucht verspreidde zich vlug onder de inwoners van het kleine dorp. Het huis waar Hij verbleef was snel vol en niemand kon meer naar binnen. Er kwamen vier mannen aan, die een verlamde vriend op een matras aandroegen. Zij konden niet door de deur komen en dus klommen ze op het dak, braken het open en lieten de man neer.

Dit is geloof in actie – volharding, vindingrijkheid en weigeren zich bij hindernissen neer te leggen. Deze mannen lieten zich niet afschrikken door de schare of de moeilijke situatie. Ze hadden maar één doel – hun vriend naar Jezus brengen.

De heilige Beda de Eerbiedwaardige staat stil bij dit moment:

“Toen de Heer hun geloof zag, zowel van degene die gebracht was als van degenen die hem brachten, vergaf Hij de zonden van de verlamde. Hier leren we dat het geloof van één persoon ten goede kan komen aan iemand anders, zodat de Heer soms iemand vergeving kan schenken vanwege het geloof van een ander, wat Hij niet schenkt aan de ongelovigen op zich.” (Commentaar op Marcus, 2: 1 – 12)

We zouden ons kunnen afvragen: Hoe vaak laten wij ons door hindernissen ontmoedigen? Hoe vastbesloten zijn wij onszelf en anderen tot Christus te brengen? Merkt u op dat de mannen die de zieke dragen niet proberen hem met hun woorden te overreden … ze brachten hem alleen maar fysiek naar Christus door hun daden.

De eerste woorden die Jezus zegt zijn onverwacht.

 Kind, uw zonden worden vergeven.

We zouden kunnen denken, wacht, dat is niet waarom ze zijn gekomen! Zij wilden dat hun vriend weer zou kunnen lopen! Maar Jezus ziet dieper. Hij ziet wat de man het meest nodig heeft – niet alleen maar fysieke genezing maar verzoening met God.

De heilige Cyrillus van Alexandrië verduidelijkt:

“Alleen God kan zonden vergeven, en Christus wijst de beschuldiging niet af. In plaats daarvan bevestigt Hij deze door met het genezen van de verlamde te bewijzen dat Hij over goddelijk gezag beschikt. Als Hij alleen maar een mens was, zou Hij op deze macht geen aanspraak maken; maar omdat Hij waarlijk God is, vergeeft Hij, en het wonder bevestigt de waarheid van Zijn woorden.” (Commentaar op Lucas, 5: 17 – 26)

Jezus maakt niet alleen aanspraak op gezag – Hij toont deze ook. Zijn macht om zonde teniet te doen is niet abstract; deze is reëel, effectief en transformerend.

De Schriftgeleerden, de religieuze deskundigen, kijken toe. Onmiddellijk nemen zij aanstoot aan de woorden van Jezus.

 Wat spreekt deze aldus? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven dan God alleen?

De heilige Gregorius van Nazianze stelt deze blindheid aan de kaak:

“De farizeeën zijn beledigd als zonden worden vergeven, alsof ze zelf rein waren. Maar zij beseffen niet dat Hij die met een woord het lichaam geneest met een bevel ook de ziel kan zuiveren”. (Oratie 40: Over de Heilige Doop)

Ze begrepen het theologische principe dat alleen God zonden kan vergeven, maar zagen niet de werkelijkheid vóór zich: God was in hun midden en bood genade aan, net zoals God aanwezig is in ons leven en aanbiedt hetzelfde te doen.

Jezus die hun gedachten kent, stelt een vraag:

Wat is gemakkelijker: tot de verlamde te zeggen, ‘uw zonden zijn vergeven’, of te zeggen, ‘sta op, neem uw matras op, en wandel’?

Zonden vergeven is onzichtbaar – iedereen kan de woorden zeggen. Maar een verlamde man genezen is te verifiëren. Jezus verricht dus het zichtbare wonder om Zijn gezag in het onzichtbare rijk te bewijzen.

Hij zegt tegen de man:

Sta op, neem uw matras op en ga naar huis.

De man staat op, neemt zijn matras op en wandelt voor iedereen zichtbaar naar buiten. De fysieke genezing bewijst de geestelijke werkelijkheid.

De heilige Basilius de Grote legt uit waarom wonderen ertoe doen:

“De wonderen van Christus worden verricht niet alleen maar om te verbijsteren, maar om ons tot geloof te brengen, zodat we, als we Zijn werken zien, Zijn goddelijkheid zouden erkennen. Aldus geneest Hij niet omwille van de genezing, maar om de redding te openbaren die Hij brengt.” (Homilie over psalm 33)

Deze passage stelt ons voor kardinale vragen:

  1. Wat willen we van Christus verkrijgen?
  • Komen we naar Hem alleen met praktische noden, of erkennen we dat onze diepste behoefte vergeving is en verzoening met God?
  1. Zijn we volhardend in het geloof?
  • De vrienden van de verlamde lieten zich door niets tegenhouden. Brengen wij onszelf en anderen tot Christus met dezelfde vastbeslotenheid?
  1. Erkennen we Jezus’ gezag?
  • De Schriftgeleerden verzetten zich tegen Hem omdat Hij hun veronderstellingen betwistte. Zijn we bereid Hem op Zijn voorwaarden te aanvaarden, niet op die van ons?

Aan het einde van de passage is de schare verbijsterd en verheerlijkt God, zeggende:

Zo iets hebben wij nog nooit gezien!

Maar dit is niet alleen maar een bewonderenswaardig verhaal – het is een oproep tot geloof. Het grootste wonder hier is niet de genezing van het lichaam, maar het gezag van Christus om zonden teniet te doen. Dat is wat levens echt verandert.

Zoals de verlamde en zijn vrienden moeten we ons tot Christus wenden niet alleen om wat Hij voor ons uitwendig kan doen, maar om de diepe genezing die Hij aanbiedt voor ons eeuwige zelf. Als we Zijn aanwezigheid zijn binnengegaan, moeten we bereid zijn tot verandering en vernieuwing als we terugkeren naar ons gewone leven.

Met liefde in Christus,

Meletios, archimandriet.

maandag 17 februari 2025

 

Mijn dierbare vrienden,

De gelijkenis van de Verloren Zoon (Lucas 15: 11 – 32) is een van de bekendste verhalen van Christus, maar kan ons zo vertrouwd worden, dat de diepte ervan ons ontgaat. Voor velen klinkt het als een sentimenteel verhaaltje over vergeving, maar wat als we het realisme ervan helemaal tot ons door zouden laten dringen? Wat als we de pijn van de vader, de schaamte van de zoon, en de verontwaardiging van de oudere broer zouden zien op een manier die onze eigen worstelingen weerspiegelt?

Het verzoek van de jongste zoon, “Vader, geef mij het deel van ons vermogen dat mij toekomt” (Lucas 15: 12), is niet louter jeugdige rebellie. In de culturele context van het Palestina uit de eerste eeuw is het vragen om je erfenis, terwijl je vader nog leeft, hetzelfde als hem dood wensen.

De heilige Johannes Chrysostomos legt uit: “Voortijdig vragen om de erfenis betekent de liefde verwerpen en bezit verkiezen boven relatie”. De verloren zoon zoekt autonomie, maar vindt slavernij, hij wil zich uitleven, maar hem wacht hongersnood.

Is dit niet het verhaal van ons allemaal? We zoeken onafhankelijkheid van God, geloven dat we hierdoor vrij zullen worden, maar we vinden onszelf terug in het verre land – ver van ons ware thuis, hunkerend naar liefde, ons voedend met illusies.

De heilige Gregorius Palama geeft een geestelijke interpretatie van dit verlangen: “De zoon die vertrekt staat voor de ziel die Gods liefde verlaat en op zoek gaat naar het waanidee van onafhankelijkheid. Maar de ziel resteert, als zij gescheiden is van de Vader, niets anders dan honger en spijt.”

De zoon vertrekt niet in wijsheid; hij vertrekt in hooghartigheid. In zijn geloof dat rijkdom hem het leven zal schenken echoot de illusie door van Adam en Eva dat zij door kennis los van God net als Hij zouden worden. De weg naar het verre land is niet alleen fysiek – het is een weg omlaag naar zelfbedrog.

De zinsnede “hij verkwistte zijn vermogen in een leven van overdaad” (Lucas 15: 13) wordt vaak voorgesteld als een leven van woeste feesten, maar de Griekse term ασωτως (asotos) betekent “verkwistend, verwoestend”. Zijn ondergang is niet moreel, maar existentieel – hij verliest zichzelf.

Als de honger komt, vervalt hij in een staat van uiterste verloedering, geeft varkens te eten – een voor een Jood onreine taak.

Op het moment van zijn diepste verval beseft de zoon zijn dwaasheid. Hij keert niet terug vanwege directe liefde voor de vader, maar omdat hij honger heeft en wanhopig is. Dit is een diep menselijk moment – berouw begint vaak uit eigenbelang, maar God maakt zelfs hiervan gebruik.

Dit gaat niet alleen over voedsel; het gaat over geestelijke honger. Hoe velen hebben niet gezocht naar betekenis in dingen die ons alleen maar leger hebben gemaakt?

Wroeging is maar een klein gedeelte van berouw. Meer dan wat ook is berouw een ontwaken naar de realiteit. De heilige Theofan de Kluizenaar zegt: “Zonde hult de ziel in wolken, maar door berouw trekt de mist op, wordt het zicht hersteld. De zoon vindt geen nieuw pad; hij ziet eenvoudig weer het pad dat hij verlaten heeft.”

Toch is zijn terugkeer aarzelend. Hij bedenkt van te voren wat hij zal zeggen en hoopt op een plaats onder de dagloners. Hier blijkt nog duidelijk zijn misverstand – hij verwacht een werkverband, maar de Vader biedt een verbond van liefde aan.

Het meest schokkende moment in de gelijkenis is niet de terugkeer van de zoon, maar de reactie van de vader. In de Joodse cultuur zou een man op leeftijd nooit rennen – dat was onwaardig. Toch rent de vader naar zijn zoon toe, omhelst hem, en kapt zijn ingestudeerde woorden van verontschuldiging af.

De heilige Cyrillus van Alexandrië schrijft: “Zie de dwaasheid van Gods liefde! Vóór de zoon zijn schuld belijdt, heeft de Vader hem vergeven. Vóór hij spreekt, wordt hij gekleed. Dit is genade – liefde die aan berouw voorafgaat”.

Merkt u op, dat de vader de belijdenis van de zoon onderbreekt – hij laat hem zijn ingestudeerde woorden niet uitspreken. Waarom? Omdat de liefde van de vader groter is dan het falen van de zoon.

Wij doen in de Biecht vaak net zoiets. We zijn zo druk bezig te proberen God te vertellen hoe slecht we zijn dat we niet in de gaten hebben dat God ons probeert te vertellen hoeveel Hij van ons houdt.

Het kleed, de ring en de sandalen zijn geen beloning; het is eerherstel. De vader vergeeft niet alleen – hij herstelt de waardigheid van zijn zoon.

Terwijl de zonde van de jongste zoon openlijk is, is die van de oudste zoon aan het zicht onttrokken. Hij is nooit van huis weggegaan, maar hij is evenzeer verloren.

In zijn verontwaardiging klinkt die van de Farizeeën door, die morden over Christus’ barmhartigheid tegenover zondaars. De heilige Basilius de Grote waarschuwt: “Er is een manier van gehoorzamen aan God die niet verschilt van slavernij – als plicht in plaats komt van liefde”.

De klacht van de oudste zoon: “Ik heb u al die jaren gediend en nooit uw gebod overtreden” (Lucas 15: 29), openbaart zijn hart. Hij ziet zichzelf als knecht, niet als zoon. De reactie van zijn vader, “Al het mijne is het uwe” ( Lucas 15: 31) is een uitnodiging, geen verwijt.

De gelijkenis eindigt onopgelost – de reactie van de oudste zoon blijft onbekend. Waarom? Omdat Christus de vraag voor ons open laat. Zullen we het feest van genade binnengaan, of zullen we bij onze verontwaardiging blijven, en lijden?

De reis van de Verloren Zoon is die van ons. Sommigen van ons hebben in verre landen rondgezworven, anderen zijn met een koud hart thuis gebleven. Maar de Vader staat op iedereen te wachten.

De heilige Porphyrios van Kavsokalyvia heeft gezegd: “Als we naar God terugkeren, wacht ons geen rechter, maar een omhelzing”.

De heilige Isaak de Syriër brengt dit prachtig onder woorden: “ Als u gelooft dat Gods genade grenzen heeft, hebt u een beeld van een menselijke God. Zijn liefde is een oceaan; wij zijn daarin maar een druppel.”

Mogen we tot bezinning komen, op weg gaan naar huis, en de liefde ontvangen die er altijd voor ons is geweest.

Amen.

Met liefde in Christus,

Meletios archimandriet.

Maandag 10 februari 2025

Mijn dierbare vrienden,

De gelijkenis van de Farizeeër en de Tollenaar is een van de meest diepgaande leringen van Jezus over nederigheid, berouw en de ware essentie van rechtschapenheid. Hierin wordt niet alleen ons religieuze gedrag uitgedaagd, maar ook de ingeschapen menselijke neiging, uit het ego voortkomend, om zichzelf te vergelijken, te rechtvaardigen en boven anderen te verheffen.

Hier volgt de tekst:

Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de één was een Farizeeër, de ander een tollenaar. De Farizeeër stond en bad dit bij zichzelf: O God, ik dank U, dat ik niet zó ben als de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als deze tollenaar; ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van al mijn inkomsten. De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zei: O God, wees mij, zondaar, genadig! Ik zeg u: Deze keerde, in tegen-stelling met de ander, gerechtvaardigd naar huis terug. Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden, doch wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden.

Met het begrip “nederigheid” moeten we voorzichtig zijn. In onze gebeden hebben we de neiging onze eigen onwaardigheid te overdrijven. We zijn onwaardig, zeker, en op alle mogelijke manieren. Maar we zijn nog steeds de kinderen van God. Geestelijke nede-righeid heeft meer met “echt zijn” te maken. De persoon die we echt zijn is de diepste vorm van nederigheid. Het wegkrabben van de valse lagen van het ego openbaart niet alleen wie we zijn … maar openbaart ook de persoon die God ziet als we bidden.

De Farizeeër is een diep religieus mens, en alles van hem laat deze waarheid zien. Hij bidt veelvuldig en doet de juiste gebeden op de daarvoor aangewezen tijden van de dag. Maar zijn innerlijke houding schiet te kort. Uiterlijk vroom, is hij innerlijk zelfgenoegzaam. Hij bidt niet echt tot God; in plaats daarvan spreekt hij tot zichzelf en somt zijn morele prestaties op. De Griekse term voor “bij zichzelf staan” (statheis) suggereert een houding van verwatenheid.

De heilige Johannes Chrysostomos merkt op:

De Farizeeër dankte God niet, maar prees zichzelf. Hij kwam niet om te bidden, maar om te pochen. Hij verheugt zich niet over Gods barmhartigheid, maar over zijn eigen ingebeelde volmaaktheid.”

De geestelijke blindheid van de Farizeeër ligt niet aan zijn vasten of tienden geven – beide zijn prijzenswaardige daden – maar aan zijn eigendunk. Zijn rechtschapenheid is betrekkelijk; deze bestaat alleen tegenover anderen. Dit is een essentiële eigenschap van het ego dat er altijd op uit is ons te vergelijken met mensen om ons heen. De heilige Theofan de Kluizenaar waarschuwt hiervoor:

“Trots vermomt zich als deugd. De Farizeeër bidt niet om verlichting, maar om bevestiging. Hij zoekt niet Gods licht, maar zijn eigen schaduw, die op anderen valt.”

In sterk contrast hiermee probeert de tollenaar zichzelf niet te rechtvaardigen. Hij nadert niet tot het altaar, maar staat “van verre”. De heilige Efraim de Syriër merkt op dat zich in de zinsnede “wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel” de oude Joodse  opvatting weerspiegelt, dat zijn ogen opheffen naar de hemel een gebaar van vertrouwen was tegenover God. Zijn weigering dat te doen toont de diepte van zijn verlangen om zijn gedragswijze te veranderen.

Zijn gebed is kort, maar diep en krachtig: “God, wees mij, zondaar, genadig.” In het Grieks is de zinsnede hilastheti moi to hamartolo betekenisvol. Het werkwoord hilastheti is in het Nieuwe Testament een zeldzaam woord, dat met het idee verbonden is van zijn relatie met God goed maken. Dit is een echo van de taal van de zetel van genade in de Tempel – deze man vraagt niet alleen om genade, maar drukt zijn verlangen uit om in vrede te zijn met God, om zijn relatie met de Vader goed te maken.

De heilige Isaak de Syriër schrijft:  “God zoekt niet de volmaakte, maar de nederige. Hij verlangt geen offers, maar de boetvaardigheid van het hart. Een enkele traan, in waarheid gestort, is kostbaarder voor God, dan bergen goud, gegeven in eigendunk.”

Jezus besluit de gelijkenis met een schokkende omkering: de tollenaar keert gerechtvaardigd naar huis terug, niet de Farizeeër. In praktische termen betekent dit, dat het gebed van de tollenaar aanvaardbaar was voor God, terwijl het gebed van de ultra-religieuze farizeeër dat niet was. Het woord voor gerechtvaardigd, in het Grieks: dedikaiomenos, is dezelfde term die Paulus voor goddelijke aanvaarding gebruikt. Deze heeft betrekking op de status van degene die gerechtvaardigd wordt verklaard voor God – niet vanwege zijn daden, maar vanwege zijn nederig hart.

De heilige Serafim van Sarov denkt over deze passage na:

“Rechtvaardiging voor God wordt niet verdiend, maar ontvangen. De Farizeeër gaf tienden, maar de tollenaar gaf tranen. De één vertrouwde op zijn werken; de ander gaf zichzelf helemaal over aan de genade van God. En God, die degenen met een gebroken hart liefheeft, verhief de nederige mens.”

Gebed is geworteld in nederigheid, en nederigheid is eenvoudigweg een erkenning van onze realiteit. We moeten niet proberen onszelf te rechtvaardigen, en zeker hoeven we God niet te vertellen wat we nodig hebben. Gebed is eerder een smeekbede – een verzoek gebaseerd op kennis van de oneindige macht van de liefde van God: “God, wees mij, zondaar, genadig”. Dit gebed is natuurlijk het fundament van het Jezusgebed in de Orthodoxe spiritualiteit: “Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U”.

Op deze manier kunnen we beginnen te beseffen wat Jezus bedoelt als Hij zegt: “Zalig de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der Hemelen”(Matteüs 5: 3). We wenden ons tot God niet met vrees, niet met spijt, maar met het eenvoudige geloof van iemand die weet dat Gods liefde onuitputtelijk is.

Met dit Evangelie nodigt de Kerk ons uit vooruit te lopen op de aanvang van de Grote Vasten. Deze periode moedigt ons aan de essentie van het gebed te ontdekken: een uitdrukking van een relatie die de beperkingen van tijd en ruimte overstijgt en onze hoogste roeping als kinderen van God weerspiegelt.

Met liefde in Christus,

Meletios archimandriet.

Maandag 3 februari 2025

Mijn dierbare vrienden,

Een van de meest opvallende elementen van de Evangelieverhalen is dat Jezus steeds onderweg is en van de ene naar de andere plaats trekt. Niettemin blijft Hij op zijn weg stilstaan voor individuele mensen, vooral voor hen die zijn aandacht het minst waard lijken te zijn. Het verhaal van Zacheüs is hiervan een uitstekend voorbeeld. Vaak hebben we het vooral over zijn kleine gestalte, zijn rijkdom, of dat hij nieuwsgierig is naar Jezus. Maar vandaag wil ik deze passage vanuit een ander perspectief bekijken: wat gebeurt er als Jezus voor u stilstaat?

En Hij kwam Jericho binnen en ging erdoor. En zie, er was een man, Zacheüs geheten, die oppertollenaar was, en hij was rijk. En hij trachtte te zien, wie Jezus was, en slaagde er niet in vanwege de schare, want hij was klein van gestalte. En hij liep hard vooruit en klom in een wilde vijgenboom om Hem te zien, want Hij zou daarlangs komen. En toen Jezus bij die plaats kwam, keek Hij naar boven en zei tot hem: “Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven”.

Jezus kwam juist door Jericho. In de tekst wijst niets erop dat Hij van plan was halt te houden. Toch werd Zijn aandacht ergens door getroffen. De tollenaar schreeuwde niet zoals de blinde Bartimeüs (Lucas 18: 35 – 43), en ook raakte hij Jezus niet fysiek aan zoals de vrouw met bloedziekte (Lucas 8: 43 – 48). In plaats daarvan klom hij alleen maar in een boom, een stille, dwaze daad van verlangen, en dat was voldoende om Jezus halt te laten houden.

Al was de daad van Zacheüs maar klein, dit bracht hem in een positie om goddelijke aandacht te krijgen.

Zacheüs, kom vlug naar beneden, want heden moet Ik in uw huis vertoeven.

Jezus vraagt geen toestemming. Hij zegt niet: “mag Ik vertoeven?”, maar “Ik moet vertoeven”. Het Griekse woord “δει” suggereert noodzaak; het is geen keuze. Zacheüs, de uitgestotene, de zondaar, de collaborateur met Rome, ziet zichzelf in de situatie ontvanger te zijn van liefde die niet onderhandelbaar is.

Zacheüs had zijn hele leven rijkdom verzameld, maar nu nodigt de ware Schat Zichzelf bij hem uit. De personificatie van Gods liefde komt ongenood en transformeert niet alleen het huis van Zacheüs, maar ook zijn hart.

En toen zij het zagen, morden zij allen en zeiden: Hij is bij een zondig man binnengegaan om zijn intrek te nemen.

De mensen dachten te weten wie Gods aanwezigheid verdiende. Hun blindheid is van geestelijke, niet fysieke aard. Eerder bij Lucas had Jezus een blinde bedelaar genezen (18: 35 – 43), maar hier treffen we een ander soort blindheid aan: de blindheid van valse eigendunk.

De echte tegenstelling in dit verhaal is niet die tussen Zacheüs en Jezus, maar tussen Zacheüs en de schare. Zacheüs, hoewel rijk, weet wat hij nodig heeft. De schare, hoewel uiterlijk rechtschapen, ziet niet in wat zij nodig heeft.

Maar Zacheüs ging staan en zei tot de Heer: Zie, de helft van mijn bezit, Heer, geef ik de armen, en indien ik iemand iets heb afgeperst, vergoed ik het viervoudig. En Jezus zei tot hem: Heden is aan dit huis redding geschonken, omdat ook deze een zoon van Abraham is. Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden.

De transformatie is onmiddellijk. Zacheüs belijdt niet alleen zijn geloof; hij brengt het in praktijk.

Hij geeft de helft weg van wat hij bezit.

Hij vergoedt iedereen die hij heeft afgeperst viervoudig: meer, dan de Thora eiste (Exodus 22: 1).

Redding niet alleen op persoonlijk, maar ook op sociaal niveau. Het berouw van Zacheüs herstelt de gerechtigheid in zijn gemeenschap.

Het verhaal van Zacheüs vraagt ons te overwegen: Wat gebeurt er als Jezus voor ons stilstaat?

  1. Waar plaatsen wij onszelf? Zacheüs klom in een Hoe ziet het zoeken naar Jezus eruit in ons eigen leven?
  2. Zijn we bereid Aanwezigheid van God te aanvaarden als we er niet om vragen? Zacheüs keek er niet naar uit dat Jezus naar zijn huis zou komen, maar toen die Aanwezigheid kwam, verwelkomde hij deze.
  3. Brengt onze ontmoeting met Jezus verandering in hoe we leven? Net als bij Zacheüs herschept een echte ontmoeting met Christus zowel ons hart als onze daden. Deze verandert alles aan ons, omdat hierdoor alles wat we zijn in een nieuw kader wordt gezet. Door kind te worden van het Koninkrijk, in tegenstelling tot het kind zijn van deze wereld, wordt de

totaliteit van wie we zijn: onze gevoelens, ons verstand, ons gedrag, ons denken – getransformeerd.

Toen Jezus halt hield in Jericho was dat geen toevallige daad. Het was een noodzakelijkheid.

Zacheüs dacht dat hij Jezus zocht, maar in feite zocht Jezus hem. Als God voor u stilstaat, hoe zal dan uw antwoord zijn? 

Met liefde in Christus,

Meletios, archimandriet.